Sylvia Erschen was 9 toen ze vanuit Indonesië na weken op zee voet aan wal zette in Nederland. Eli Veenkamp-Kansil was bijna even oud toen ze met haar ouders en broertje uit Nederlands-Indïe vertrok. Beide vrouwen herinneren zich de kou, de onbekendheid met het land waar ze terechtkwamen, en een opvang die verre van vanzelfsprekend verliep. Hun ervaringen werpen licht op de geschiedenis van duizenden gerepatrieerden uit voormalig Nederlands-Indië. Die geschiedenis krijgt nu nieuwe aandacht doordat het archief van het Centraal Comité van Kerkelijk en Particulier Initiatief voor Sociale Zorg ten behoeve van gerepatrieerden (CCKP) deels digitaal toegankelijk is geworden.
De interviews met Sylvia Erschen en Eli Veenkamp-Kansil zijn te lezen op Petrus:
Op 17 augustus 1945 verklaarde Indonesië zich onafhankelijk. Daarna volgde een gewelddadige strijd, waarbij ook veel repatrianten slachtoffer werden. Op 27 december 1949 werd Indonesië officieel onafhankelijk. De positie voor KNIL-personeel en hun gezinnen, zoals die van Sylvia Erschen en Eli Veenkamp-Kansil, werd vaak onhoudbaar. Wie de Nederlandse nationaliteit had of verkoos boven de Indonesische, werd in het nieuwe Indonesië doorgaans niet meer als burger gezien. Niet alleen de mannen die verbonden waren aan het Koninklijk Nederlandsch-Indisch leger (KNIL) kwamen terug, maar ook andere burgers, gezinnen, ambtenaren, Indo-Europeanen, Molukkers, marine- en politiepersoneel en later spijtoptanten.
Een taak voor de kerken
Als gevolg van deze situatie kwamen er tussen 1945 en 1968 ruim 300.000 Indische Nederlanders naar Nederland. Veel mensen waren in Indië geboren en waren nog nooit in Nederland geweest. De overheid regelde de overtocht en de huisvesting, maar kon de begeleiding van deze grote groep niet alleen aan. Ze klopte daarom medio 1950 aan bij de kerken. Zo ontstond het CCKP, met de Nederlandse Hervormde Kerk en de Rooms-Katholieke Kerk als belangrijke spelers. Protestantse Indische Nederlanders werden begeleid door protestantse maatschappelijk werkers en predikanten, katholieke door hun eigen netwerk. Over de moeilijke en vaak traumatische ervaringen werd lange tijd weinig gesproken. Daarom kunnen de dossiers die maatschappelijk werkers van het CCKP over repatrianten hebben gemaakt, gevoelige persoonlijke informatie bevatten.
Het archief van het CCKP is, net als andere historische archieven van de Protestantse Kerk, in beheer bij Het Utrechts Archief. Het Algemeen Rijksarchief wilde bij de opheffing van het CCKP in 1968 het archief wegens personeels- en ruimtegebrek niet opnemen. De toenmalige archivaris van de Nederlandse Hervormde Kerk heeft het archief vervolgens veiliggesteld. De persoonsgegevens in het CCKP-archief zijn nu gedigitaliseerd en toegankelijk voor personen die kunnen aantonen dat ze een belang hebben bij het inzien van deze informatie.
Goed geregeld, koel ontvangen
Wie zelf geen woning kon vinden, werd opgevangen in een contractpension, een klein huisje of soms zelfs een barak. Dat gold ook voor Sylvia Erschen. Ze vertelt in het interview op Petrus [hier link]: “Aan alle kanten werd op repatrianten bezuinigd. Het plakje kaas was bijvoorbeeld tot op de millimeter afgeschaafd. Dit gesprek moet niet zielig overkomen, maar het is nog steeds schrikken hoe de overheid met haar burgers is omgegaan. Mijn ouders kregen een toelage, maar ze moesten wel alles tot op de laatste cent terugbetalen, inclusief overtocht en verblijf.”
De kerk wilde haar verantwoordelijk nemen bij de opvang van Indische Nederlanders en deed dit, op verzoek van de overheid. Kennis over de achtergrond van de nieuwkomers ontbrak grotendeels, ook binnen de kerk. Het beleid van zowel de overheid als het CCKP was gericht op aanpassing van de repatrianten. De inspanning om te integreren lag vooral bij de repatrianten zelf, hoewel veel repatrianten nog nooit eerder in Nederland waren geweest.
Voor de duizenden gezinnen die in deze jaren aankwamen, onder wie de families van Sylvia Erschen en Eli Veenkamp-Kansil, betekende dat een abrupte overgang. Ze moesten hun huis, werk, familie en vertrouwde omgeving achterlaten. Ze kwamen van een vertrouwde, vaak warme omgeving terecht in een koud en onbekend land, waar ze zich moesten aanpassen aan gewoonten die niet de hunne waren. In Nederland voelden veel mensen zich niet begrepen. Wat zij in voormalig Nederlands-Indië hadden opgebouwd en meegemaakt, werd vaak niet erkend.
De in voormalig Nederlands-Indië opgebouwde werkervaring bleek- eenmaal in Nederland - vaak weinig waard. Eenmaal hier moesten ze vaak werk aanvaarden dat ver onder hun niveau lag. Nederland was na de oorlog arm en er was weinig woonruimte. Daardoor werden zij vaak niet goed ontvangen en kregen ze te maken met wantrouwen en vooroordelen.
Waarom dit nu telt
Deze geschiedenis is maar bij weinig mensen bekend, ook binnen de kerk zelf. Met het openbaar maken van een deel van het archief kunnen nazaten en onderzoekers zelf digitaal in de stukken kijken die deze periode documenteren. Het geeft een kans om te begrijpen hoe de opvang destijds werkelijk verliep, en waarom die voor veel repatrianten niet voelde als het thuis dat ze nodig hadden.
Online raadplegen van het openbare gedeelte van het archief kan op hetutrechtsarchief.nl of op onsland.nl. Het niet-openbare gedeelte is alleen voor belanghebbenden (familie) in de studiezaal van het archief in te zien.
Beeld: Niek Stam

