Elke gemeente binnen de Protestantse Kerk heeft een kerkenraad. Deze pagina beschrijft uit welke ambtsdragers die bestaat, hoe lang zij zitting hebben en welke bijzondere vormen de kerkorde kent. De regels staan in ordinantie 4 van de kerkorde; de uitleg hieronder vat ze samen.
Op deze pagina:
- Minimale samenstelling van de kerkenraad
- De drie ambten in de kerkenraad
- Voorzitter, scriba en moderamen
- De kerkenraadsvergadering en besluitvorming
- Ambtstermijn van kerkenraadsleden
- Wijkkerkenraad en algemene kerkenraad
- Kleine kerkenraad en werkgroepen
- Te weinig ambtsdragers
- Vastleggen in de plaatselijke regeling
Minimale samenstelling van de kerkenraad
De kerkenraad telt ten minste zeven ambtsdragers, waarbij alle ambten vertegenwoordigd zijn. Het kerkordelijk minimum ziet er zo uit:
| Ambt | Aantal |
|---|---|
| Predikant | 1 |
| Ouderling | 2 |
| Ouderling-kerkrentmeester | 2 |
| Diaken | 2 |
De kerkenraad stelt zelf vast hoeveel ambtsdragers de gemeente nodig heeft, met dit minimum als ondergrens. De minimale samenstelling staat in ord. 4-6-3 van de kerkorde.
Van drie van de vier categorieën vraagt de kerkorde twee vertegenwoordigers. Het takenpakket is te omvangrijk voor één persoon, en bij financiële beslissingen kijkt zo altijd een tweede ambtsdrager mee. Daarnaast krijgt het collegiale karakter van het ambt op deze manier vorm.
De drie ambten in de kerkenraad
De Protestantse Kerk kent drie ambten: predikant, ouderling en diaken. Niemand kan in een gemeente meer dan één ambt dragen.
De ouderling-kerkrentmeester vormt geen vierde ambt. Het gaat om een ouderling met een eigen taakveld: het beheer van de vermogensrechtelijke zaken van de gemeente en het bijhouden van het ledenregister, het doopboek, het belijdenisboek en het trouwboek. Omdat beleid en geld met elkaar samenhangen, noemt de kerkorde deze ouderling apart bij de minimale samenstelling.
Lees verder over de taken per ambt:
- Wat zijn de taken van een ouderling?
- Wat zijn de taken van een diaken?
- Wat zijn de taken van een kerkrentmeester?
Dat niemand meer dan een ambt draagt, is bepaald in ord. 3-8-3. Het dienstwerk per ambt staat in ord. 3-9 tot en met 3-11.
Adviseurs en boventallige leden
Naast de gekozen ambtsdragers kent de kerkenraad twee aanvullende mogelijkheden. Een kerkelijk werker die in de gemeente is benoemd, wordt in de regel verkozen tot ouderling of diaken met bepaalde opdracht en is dan boventallig lid van de kerkenraad. Wie in een bediening is gesteld zonder bevestiging in het ambt, kan door de kerkenraad worden uitgenodigd als adviseur. Ook predikanten met een bijzondere opdracht en predikanten die lid zijn van de gemeente kan de kerkenraad tot lid benoemen.
Deze mogelijkheden zijn geregeld in ord. 4-6-6 en 4-6-7 en in ord. 3-12-6.
Voorzitter, scriba en moderamen van de kerkenraad
De kerkenraad kiest uit zijn midden een moderamen. Dat bestaat uit ten minste een preses (voorzitter), een scriba (secretaris) en een assessor (vicevoorzitter). Ten minste één predikant maakt deel uit van het moderamen.
Het moderamen bereidt de vergaderingen voor, roept ze bijeen en leidt ze. Verder voert het de besluiten uit waarvoor niemand anders is aangewezen en handelt het formele en administratieve zaken af, onder verantwoording aan de kerkenraad.
Lees verder over de taken van de voorzitter van de kerkenraad en de taken van de scriba.
De regels voor het moderamen staan in ord. 4-8-2 en 4-8-3 van de kerkorde.
De kerkenraadsvergadering: frequentie en besluitvorming
De kerkenraad komt ten minste zes keer per jaar bijeen. Besluiten volgen na gemeenschappelijk overleg en zo mogelijk met eenparige stemmen. Blijkt eenparigheid niet haalbaar, dan beslist de meerderheid van de uitgebrachte stemmen; blanco stemmen tellen niet mee. Over personen stemt de kerkenraad schriftelijk.
Voor een geldig besluit moet ten minste de helft van het vastgestelde aantal leden aanwezig zijn, met een ondergrens van drie leden. Bij een kerkenraad van twaalf leden ligt het quorum dus op zes. Ontbreekt het quorum, dan kan de kerkenraad over hetzelfde voorstel alsnog besluiten in een volgende vergadering, die minimaal twee weken later plaatsvindt. Daarvoor volstaat de aanwezigheid van drie leden.
De besluitvorming is geregeld in ord. 4-5, de vergaderfrequentie in ord. 4-8-1.
Ambtstermijn van kerkenraadsleden
De eerste ambtstermijn van een ouderling of diaken is in de regel vier jaar. Daarna volgt telkens herverkiezing voor een termijn van twee tot vier jaar, tot een maximum van twaalf aaneengesloten jaren.
Wie niet direct herkiesbaar is, kan pas na elf maanden opnieuw kandidaat staan. Een aftredende ambtsdrager blijft zo mogelijk zitting houden tot de opvolger is bevestigd, met een uiterste grens van zes maanden na de roosterdatum.
Meer over de procedure: de verkiezing van ouderlingen en diakenen en tips om de ambten te vullen.
De termijnen staan in ord. 3-7 van de kerkorde.
Wijkkerkenraad en algemene kerkenraad
In een gemeente met wijkgemeenten heeft elke wijkgemeente een wijkkerkenraad en de gemeente als geheel een algemene kerkenraad.
Voor de wijkkerkenraad geldt een lager minimum dan de zeven van een gewone kerkenraad: een predikant, twee ouderlingen, één ouderling-kerkrentmeester en twee diakenen.
De samenstelling van de algemene kerkenraad legt de gemeente vast in de plaatselijke regeling. Elke wijkkerkenraad wijst daarvoor ten minste één lid uit zijn midden aan.
De taakverdeling ligt eveneens vast. De wijkkerkenraad doet alles wat niet aan de algemene kerkenraad is toevertrouwd. Bij de algemene kerkenraad horen in elk geval het overleg met de wijkkerkenraden, voorzieningen voor de gemeente als geheel, de vermogensrechtelijke zaken die niet aan de wijken zijn overgelaten en de rechtspositie van predikanten en gesalarieerde medewerkers.
De samenstelling is geregeld in ord. 4-6-1, 4-6-2 en 4-6-4, de taakverdeling in ord. 4-7-2.
Kleine kerkenraad: minder vergaderdruk, niet minder ambtsdragers
De kerkenraad kan een deel van zijn taak toevertrouwen aan zijn breed moderamen, de kleine kerkenraad, en houdt daarbij de eindverantwoordelijkheid. De kleine kerkenraad bestaat uit de leden van het moderamen, ten minste drie ambtsdragers, plus ten minste vier andere ambtsdragers. Daarbij zijn naast de predikant een ouderling, een ouderling-kerkrentmeester en een diaken vertegenwoordigd.
Die optelsom komt uit op minimaal zeven ambtsdragers, evenveel als het minimum voor een gewone kerkenraad. De kleine kerkenraad is dus geen oplossing voor een gemeente die de zeven ambtsdragers niet vol krijgt. De constructie is bedoeld voor kerkenraden die ruim boven het minimum zitten en het aantal vergaderingen voor alle ambtsdragers willen beperken.
Gaat een gemeente zo werken, dan komt de voltallige kerkenraad ten minste vier keer per jaar bijeen om het algemene beleid vast te stellen. De kleine kerkenraad vergadert daartussendoor. Hoe vaak, bepaalt de gemeente zelf; het minimum van zes vergaderingen per jaar geldt voor beide samen.
Een aantal taken blijft altijd bij de voltallige kerkenraad:
- de algemene leiding aan de opbouw van de gemeente;
- de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten;
- de besluiten waarbij de gemeente gekend en gehoord moet worden;
- het beroepen van predikanten en de leiding aan de verkiezing daaraan voorafgaand;
- het opzicht over de leden van de gemeente.
Deze werkwijze is uitgewerkt in ord. 4-9 van de kerkorde. Prof. Leo Koffeman licht de achtergrond toe in het verdiepingsartikel De kleine kerkenraad en werkgroepen.
Werkgroepen: taken delen met gemeenteleden
Een werkgroep bestaat uit ten minste één ambtsdrager en een aantal gemeenteleden. Zo'n werkgroep heeft meer eigen ruimte dan een commissie, die alleen voorbereidend werk doet in opdracht van de kerkenraad. De kerkenraad deelt de zorg voor de opbouw van de gemeente met de werkgroep, binnen de kaders van het beleidsplan. Een werkgroep catechese kan bijvoorbeeld zelf beslissen wie catechese geeft en welke methode daarbij past.
Sinds Kerk2025 staan werkgroepen los van de kleine kerkenraad. Een kerkenraad kan werkgroepen met eigen bevoegdheden instellen zonder onderscheid te maken tussen een kleine en een plenaire kerkenraad. Voor gemeenten met weinig ambtsdragers is dit de begaanbare weg: het werk komt bij gemeenteleden te liggen zonder dat daarvoor extra ambtsdragers nodig zijn.
De ambtsdrager in de werkgroep houdt de verbinding met de kerkenraad in stand. De verdeling van verantwoordelijkheden hoort in de plaatselijke regeling te staan, omdat de kerkorde hier veel aan de gemeente overlaat.
Zie ord. 4-8-4 over commissies en ord. 4-9-3 over werkgroepen.
Te weinig ambtsdragers: kan een kerkenraad kleiner zijn dan zeven?
Het minimum van zeven is het uitgangspunt, geen absolute grens. Telt de kerkenraad minder leden dan het minimum, bijvoorbeeld door openstaande vacatures, dan overleggen de kerkenraad en het breed moderamen van de classicale vergadering hoe de taken toch uitgevoerd worden. Zo nodig treft het breed moderamen daarvoor maatregelen. Bij een evangelisch-lutherse gemeente hoort de evangelisch-lutherse synode vooraf te worden gehoord.
De kerkorde noemt bij die overlegbepaling geen ondergrens. In dat overleg kan het breed moderamen dus instemmen met een kleinere bezetting dan zeven ambtsdragers. Afwijken gebeurt daarmee altijd in overleg, nooit op eigen gezag van de kerkenraad.
Wat er gebeurt bij een tekort, staat in ord. 4-6-5 van de kerkorde.
Samenwerking en huisgemeente
Blijft de bezetting structureel te krap, dan liggen samenwerking of samengaan met een andere gemeente voor de hand. De kerkenraad heeft bovendien de taak om samen met andere gemeenten de vitaliteit te bevorderen en predikantsplaatsen van voldoende omvang in stand te houden.
De huisgemeente wordt vaak genoemd als lichtere vorm, maar die staat verder weg dan het lijkt. Een huisgemeente ontstaat pas na opheffing van de gemeente, en opheffing kan alleen wanneer de gemeente niet meer aan de verplichtingen van de kerkorde kan voldoen en samenwerking of samengaan geen optie meer is.
De bijzondere gemeentevormen staan in ordinantie 2; de taak tot samenwerking in ord. 4-7-1.
Vastleggen in de plaatselijke regeling
De kerkenraad legt de eigen werkwijze vast in een plaatselijke regeling. Die bevat in elk geval de verkiezing van ambtsdragers, de wijze van werken van de kerkenraad en het beheer van de vermogensrechtelijke zaken. Werkt de gemeente met wijkgemeenten, een kleine kerkenraad of werkgroepen, dan hoort ook de taakverdeling daartussen in de regeling.
Na vaststelling of wijziging gaat de regeling ter kennisneming naar het breed moderamen van de classicale vergadering.
De eisen aan de plaatselijke regeling staan in ord. 4-8-5 en 4-8-7 van de kerkorde.