Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud

Zolang er verdriet is, is er liefde

Hoe rauw verdriet kan zijn, leerde schrijfster Joke Verweerd toen ze haar man verloor. Ze schreef Troostpleister, een boek over haar eigen verdriet. Maar ook over veerkracht, want ze wil het hoofd boven water houden.

Er hangt een grijze lucht over de duinen bij Noordwijk, waar Rob en Paul Visser in gesprek zijn met Joke Verweerd. De regen geselt de ruiten, het strand oogt koud en verlaten. Maar aan tafel zit een stralende schrijfster. Ze is openhartig over haar schrijnende verlies, en zit tegelijk vol levenslust.

Rob Visser zegt het halverwege het gesprek maar eerlijk: “Van tevoren dacht ik: wat gaan we nu beleven?” In het boek Troostpleister had hij gelezen hoe Joke Verweerd het ‘verdriet tot haar vriend’ wilde maken. Dat klonk onmogelijk. Wat kon er nu mooi zijn aan het missen van iemand die je intens hebt liefgehad? Maar Joke Verweerd verrast hem én Paul Visser.

Verhalen vertellen

Schrijven hielp haar tijdens het ziekbed van haar man Fred en sinds zijn overlijden bijna twee jaar geleden. “Iedere keer als ik het moeilijk had, schreef ik het op. Zo kreeg ik helderheid in mijn hoofd.”

Het vinden van woorden voor wat ze voelde, hield haar op de been. Zo werkt dat al haar leven lang: als kleuter vertelde ze zichzelf al verhalen onderweg naar school. Elke gebeurtenis groeide uit tot een verhaal, regelmatig deed ze er een schepje bovenop: “Als ik schrok van een vrachtwagen, vertelde ik thuis dat ik bijna dood was geweest.” ‘Doe eens gewoon’, kreeg ze te horen als ze weer eens overdreef. Paul Visser glimlacht. “De verhalen gingen met je aan de wandel.”

Haar rijke fantasie leidde veel later tot een aantal goed verkochte romans. Troostpleister is een heel ander soort boek: hierin staan overpeinzingen en gedichten die ze heeft geschreven tijdens de ziekte van haar man en na zijn overlijden. Achterin staan voorbeelden van afscheidswoorden voor verschillende situaties.

Paul Visser vindt haar veerkracht opvallend. “Je geeft je verdriet de ruimte, maar je wilt ook orde scheppen. Je wilt je niet overgeven aan radeloosheid.” Nou, radeloos was ze soms wel, maar “reddeloos nooit”, reageert Joke Verweerd vol vuur. “Dan zou ik God tekortdoen.”

“Je schrijft dat ook ergens”, realiseert Rob Visser zich, terwijl hij in het boek bladert. “‘Ik wíl wel opstandig zijn, maar het heeft een grens.’ Maar in de Bijbel gaan mensen ook over die grens heen.” Paul Visser is het met hem eens: “Voor God mág je ten onder gaan in verdriet. Diep vertrouwen leidt in de Psalmen soms tot een verdubbeling van de pijn.” Maar voor haar biedt het veiligheid om een grens te trekken, legt Joke Verweerd uit. “Ik wilde niet dat het verdriet me in de greep zou houden.”

Ontsnapping

Bijna 42 jaar zijn Fred en Joke Verweerd getrouwd geweest. Dat hij, kind van Indische ouders en afkomstig uit een veel ‘lichtere’ kerk, in haar leven kwam betekende een aardschok in het orthodoxe milieu waarin ze opgroeide. “Ik had een warm thuis, een geweldige vader en moeder, maar heel behoudend. Je wist nooit of je uitverkoren was.”

Ze haalt herinneringen op. Hoe ze werd terechtgewezen als ze vrolijk zingend de trap af kwam. Dat ze alleen ‘ons soort mensen’ over de vloer mocht vragen. Of hoe ze na een kerkdienst vaak alleen maar verdrietig kon denken: hoe moet dat toch met mij?

Ze was een impulsief en enthousiast kind, en wilde graag bij God horen. “Maar ik was heel bang voor God. Stel dat je fouten maakte waarvan je niet wist dat het fouten waren? Ik had steeds het gevoel dat ik iets verkeerd deed.”

“Dat moet soms eenzaam zijn geweest”, vermoedt Rob Visser. “Ik denk dat jouw verhalen je hebben geholpen.” Het bedenken hiervan bood “een ontsnapping”, begrijpt ook Paul Visser. “Daardoor kon je de werkelijkheid naar je hand zetten.”

Kordaat

Door haar studie en haar baan als maatschappelijk werkster leerde ze breder te kijken. Toen ze verliefd werd op Fred, ging er opnieuw een wereld voor haar open. “Ik leerde de Indische cultuur kennen en kreeg het geloof van mijn schoonmoeder erbij cadeau.” Die geloofde vol vertrouwen. “Zó wil ik bij God horen, realiseerde ik me.”

Fred en Joke waren erg verschillend. “Ik ben een prater, hij niet. Hij geloofde op een heel andere manier en praatte daar ook nooit over. ‘Dat is voor mezelf’, zei hij dan.”

Hun leven veranderde enorm en blijvend toen Fred op zijn 48e als ambtenaar Sociale Zaken in elkaar werd geslagen. Hij had een scheur in zijn schedel en in het ziekenhuis werd rekening gehouden met een fatale hersenbloeding. Die kwam gelukkig niet. Maar eenmaal thuis durfde hij de straat niet meer op. Hoewel hij zich in de loop van de jaren heel voorzichtig weer buiten waagde, bleef hij een teruggetrokken leven leiden. Zijn vrouw zorgde voor hem. “Ik kon hem niet alleen laten. Ik was steeds in de weer om hem letterlijk in beweging te krijgen, want zijn conditie leed eronder.”

Fred werd nooit meer dezelfde, Joke was vader en moeder tegelijk voor hun kinderen. In deze tijd begon ze met het schrijven van romans. “Mijn gewone leven kon ik niet sturen, maar zo kon ik een wereld bedenken waarin het goed afliep.”

“Fred heeft er veel voordeel van gehad dat je zo kordaat bent”, vindt Paul Visser. “Maar het is wel dramatisch. Er zit veel verdriet en pijn achter dit verhaal.”

Zó benieuwd

Steeds benadrukt Joke Verweerd met hoeveel liefde ze voor Fred zorgde, hoe belangrijk hij voor haar was en wat ze van hem leerde. “Ik dacht altijd: er is niemand die zo veel van deze jongen houdt als ik. Dus ik kan dit doen.”

“Hij praatte nooit over zijn geloof, dus lange tijd dacht ik: hij moet toch ook bekeerd worden?” Toen hij ziek werd, begon de tijd voor haar gevoel te dringen. “Het werd een worsteling in mij: God, het gaat er toch niet om wat ik denk? Het gaat erom wat U denkt.”

Juist toen verraste Fred haar. Elke keer als ze in het ziekenhuis kwam, legde hij een stukje van de puzzel. “Beetje bij beetje leerde ik van hem om constant in gesprek met God te zijn. Wat heb ik jou doodgeslagen met mijn geloof, realiseerde ik me. Misschien had ik wel te veel woorden en heb ik hem belet om zíjn woorden te zeggen.”

“De laatste nacht van zijn leven ging Fred twee keer overeind zitten. Beide keren zei hij: ‘Ik ben toch zó benieuwd.’ Dat vond ik verschrikkelijk mooi. Ik dacht: als jij benieuwd bent, dan heb jij een toekomst! Ik kon hem loslaten.”

Bitter en zoet

Ze nam zich voor om nooit meer te geloven in een God die uitsluit. “Een onvoorwaardelijk geloof”, constateert Rob Visser. De schrijfster beaamt dat. Ze ziet Gods trouw door alles heen. “Jezus is op aarde gekomen om te laten weten: Ik begrijp hoe zwaar het leven kan zijn, maar je bent nooit alleen.”

“Denk je bij alles wat er gebeurt: God zal hier wel een bedoeling mee hebben gehad?” vraagt Rob Visser zich af. Joke Verweerd verwoordt dat graag anders: “Ik geloof niet dat de verschrikkingen in deze wereld de wil van God zijn, maar ik geloof wel dat er niets zónder God gebeurt.”

Ze vraagt zich weleens af: hoe komt het kwaad in de wereld? “Als ik bijvoorbeeld iemand iets misgun, geef ik het kwaad een open deur. Al gaat die maar een klein stukje open, het kwaad wringt zich ertussen. En in een mum van tijd gaat die deur verder open op een andere plek, en zo steeds verder de wereld in, tot het bij een kind komt dat onschuldig overlijdt.” Prachtig gezegd, vindt Paul Visser. “Vaak plaatsen mensen het kwaad bij iemand anders of bij God. Nee, het kwaad komt bij mijzelf vandaan.”

“Verdriet is ook een uitwas van het kwade”, reageert Rob Visser. “Maar jij trekt dat dicht naar je toe, je zegt: ‘Het verdriet is mijn vriend.’” De schrijfster legt uit wat ze daarmee bedoelt: “Verdriet is bitter en zoet tegelijk. Het is onlosmakelijk verbonden aan liefde. Want waaróm heb ik verdriet? Omdat ik een man had die ik mijn hele leven kon geven. Na zijn dood dacht ik: wat zou het zeggen als ik géén verdriet zou hebben? Ik heb altijd van Fred kunnen houden. Ik heb hem steeds kunnen optillen, tot het echt niet meer ging. En toen heb ik hem overgegeven.”

Het gaat er volgens haar om dat je niet achterom blijft kijken. “Anders moet je altijd vechten en is het verdriet je vijand. Als ik het verdriet tot mijn vriend maak, kan ik ermee leven. Het woont wel onder mijn dak, hè, dat verdriet.”

Ze blijft haar man missen, maar gaat ook verder. Een lotgenoot daagde haar uit om nieuwe dingen te ondernemen, zodat ze zou ontdekken wat het leven allemaal nog kan brengen. Ze moet nog lachen om wat haar toen als eerste te binnen schoot: “Een keer naar Feyenoord. Dát heb ik nog nooit gedaan.”


Dit interview verscheen in magazine Petrus. Neem een gratis abonnement:
Abonneer nu

Sjaak Verboom

Was deze informatie zinvol?
We hebben uw feedback ontvangen, dankuwel!

Om deze pagina verder te verbeteren zijn wij benieuwd waarom u deze pagina wel of niet zinvol vond. U kunt ons helpen door de onderstaande vragen in te vullen.

Mogen we uw contactgegevens voor eventuele verdere vragen? (niet verplicht)

Lees meer over

Het thema Petrus