Luther en de joden: dossier

Op 16 juni 2015 riepen de orthodoxe rabbijn Raphael Evers, de liberale rabbijn Menno ten Brink en het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) de Protestantse Kerk op tot het maken van excuses voor de akelige en ontoelaatbare uitspraken van Luther over de joden.

Dat was niet op eigen initiatief: ze waren benaderd door journalisten van het dagblad Trouw. ‘De Nederlandse herdenking van 500 jaar Reformatie is een mooie gelegenheid om dat antisemitisme nadrukkelijk te veroordelen’, aldus Trouw op 16 juni 2015. In een later gesprek met vertegenwoordigers van de Protestantse Kerk bleek dat de rabbijnen het woord excuses zelf niet in de mond hadden genomen. Wel dat het herdenkingsjaar 2017 een mooie gelegenheid is om Luthers uitspraken weer af te wijzen.

500 jaar Protestantisme

500 jaar Protestantisme roept zo gemengde gevoelens op. De traditie brengt goede en slechte dingen met zich mee. Positief is  de herontdekking van kerngedachten in de christelijke traditie, de beweging terug naar de bronnen. Er is een vitaal en levendig protestantisme ontstaan. Tegelijkertijd is er sprake van een pijnlijke breuk tussen christenen. De laatste tientallen jaren is er zeer veel werk verzet om dichter bij elkaar te komen en breuken te helen, samen te zoeken naar wat verbindt en naar wat tot de kern van het christelijk geloof behoort.

Tot die kern behoort ook de verbondenheid met het Joodse volk. De christelijke traditie heeft joodse wortels. Tot het gesprek met Israël wordt al in artikel I van de kerkorde opgeroepen. In de verhouding tussen joden en christenen is de laatste tientallen jaren geweldig veel gedaan, regionaal en internationaal, zoals in de International Council of Christians and Jews (ICCJ).

Een van de grote aangelegen punten in de verhouding tussen joden en christenen is antisemitisme/jodenhaat. In vele verklaringen hebben kerken zich uitgesproken tegen antisemitisme, hun eigen geschiedenis daarmee en hun eigen aandeel daarin, tot diep in de theologie en de liturgie. De Protestantse Kerk neemt antisemitisme heel serieus. De kerkorde roept ertoe op alert te zijn en het inzicht in en bestrijding van antisemitisme te bevorderen (ord.1.2.2).

500 jaar Protestantisme is een uitgelezen gelegenheid om in te gaan op wat de Reformatie aan goede en slechte dingen heeft gebracht. Het brengt een bezinning met zich mee op wat protestantisme inhoudt en waar het voor staat, en wat de verhouding is tot andere kerken, in het bijzonder de Rooms-Katholieke Kerk. Tevens doet het stilstaan bij de verhouding met joden, het volk Israël en het jodendom.

Misschien hebben antisemitisme en anti-judaïsme op zich nog niet eens zoveel met de Reformatie te maken. Ook vanuit de Contrareformatie zijn onfrisse dingen over joden gezegd. En ook voor en na die tijd is er sprake geweest van Jodenhaat. Je zou zelfs kunnen verdedigen dat de Reformatie een belangrijke bijdrage heeft gegeven aan een hernieuwde belangstelling voor het Oude Testament, de Hebreeuwse Bijbel, en het gesprek met het jodendom. Er zijn reformatoren geweest die positieve dingen hebben gezegd over de relatie met het OT én het bestaande jodendom. Zelfs Luther was een tijd een van hen. In zijn latere jaren heeft hij zich volledig vergaloppeerd, vooral in zijn geschrift Von den Juden und ihren Lügen. Onfris, ontoelaatbaar, ongelofelijk. Hoe je zijn visie op de joden precies moet verstaan, in welke context het staat, of het niet meer anti-judaïsme is dan antisemitisme – daar valt veel over te zeggen en dat is ook gebeurd. In ieder geval is het op geen enkele manier te verdedigen.

500 jaar Protestantisme biedt de mogelijkheid om fundamentele dingen te zeggen, niet alleen over wat ontoelaatbaar is, maar ook over wat verbindt. Zoals Trinette Verhoeven, voorzitter van de Lutherse synode binnen de Protestantse Kerk, schreef op www.protestantsekerk.nl/actueel, zie het bericht d.d. 11 november 2015. 

‘Ik wil onderstrepen dat Joden en lutheranen met de profeten van Israël een gezamenlijke erfenis delen. Deze inspireren ons om aan een wereld te werken waarin oorlog niet meer dreigt, armoede en honger niet meer bestaan, en geweld en vooroordelen worden overwonnen. Dat komt heel dicht bij de intentie van onze kerkorde dat onze kerk geroepen is gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël.’