Protestantse Kerk
Doorgaan naar hoofdinhoud
Idee

‘Geloof, Bijbel en keuzes maken’

Pijl naar links Ideeënbank

Nodig: een gespreksleider, stellingen op kaartjes, pennen en papier.  

Vanuit de vraag welke rol geloof en Bijbel voor u spelen bij het maken van keuzes, gaan deelnemers met elkaar in gesprek. Luisteren naar elkaar en van gedachten wisselen staat voorop. Vragen stellen aan de ander staat vrij, iemand veroordelen op zijn of haar mening niet.

In het materiaal is ervoor gekozen om te beginnen met een spiegelverhaal. In dit materiaal staat niet de bijbeltekst centraal, maar deze speelt door het spiegelverhaal over Kaïn en Abel wel een rol. Desgewenst kan het gedeelte uit Genesis 4 ook gelezen worden.

De deelnemers krijgen de gelegenheid om zich aan elkaar voor te stellen en kort even iets over zichzelf te vertellen. Vervolgens bestaat de bijeenkomst uit twee gedeelten:

In het eerste deel kan gebruikgemaakt worden van een kort verhaal, getiteld: ‘Als je ooit iemand in een lelijke eend ziet rijden …’. Dit verhaal wordt in twee gedeelten geknipt.

  • De gespreksleider vertelt de groep dat de eerste helft van het verhaal voorgelezen wordt en dat ieder dan enkele minuten krijgt om zich voor te stellen hoe dit verhaal verder zou kunnen gaan. De gespreksleider leest vervolgens het eerste gedeelte voor.
  • Daarna worden de deelnemers uitgenodigd om op een papier te schrijven hoe zij denken dat dit afloopt. De gespreksleider kan het verhaal desgewenst nog een keer voorlezen.
  • Wanneer iedereen klaar is met schrijven, wordt er een rondje gemaakt: iedereen leest om de beurt zijn/haar versie van het verhaal voor. Na elke ‘presentatie’ is er even gelegenheid om te reageren.
  • Na alle verschillende versie geeft de gespreksleider het tweede deel van het verhaal zoals de schrijver dat geschreven heeft. Ook dit deel wordt voorgelezen.
  • Praat ten slotte nog even door over de strekking van het verhaal. Vraag de mensen of ze bij het verzinnen van het tweede deel ook aan het bijbelverhaal hebben gedacht. En wat vinden de deelnemers van dit verhaal vergeleken met het bijbelverhaal; komt het op hetzelfde neer of is het een heel ander verhaal geworden? Wat valt verder op bij het vergelijken van dit verhaal en het bijbelverhaal?

In het tweede deel maakt u gebruik van kaartjes. Op elk kaartje staat een stelling of een vraag.

  • Wat spreekt je aan in dit spiegelverhaal over Kaïn en Abel? En wat staat je tegen?
  • Wat maakt dit spiegelverhaal tot een goed of minder goed verhaal?
  • Hoe beleefde je het verhaal over Kaïn en Abel toen je het als kind of voor het eerst hoorde?
  • Voel je het meest mee met Abel of met Kaïn? En op wie lijk je het meest en waarom?
  • Wat is de belangrijkste keuze in je leven geweest?
  • We zijn allemaal als Kaïn, hebben iets wel of niet gedaan, en die verkeerde keuze kan ons lang dwars zitten.

Spreek met elkaar af in welke (of geen) volgorde de kaartjes afgenomen worden.

De kaartjes worden omgekeerd op een stapel op tafel gelegd. Iemand neemt het bovenste kaartje, leest de vraag of stelling hardop voor en geeft een antwoord of reactie.

Na de eerste reactie krijgen andere groepsleden gelegenheid om te reageren, op de stelling of de vraag en op elkaars reactie.

De gespreksleider houdt in de gaten wanneer het tijd is voor een volgend kaartje.

De gesprekskring kan worden afgesloten met het lezen van het tweede verhaal, ‘Naar de hemel’.

 

Als je ooit iemand in een lelijke eend ziet rijden …

Daar gingen ze. Samen op weg. Kaïn en Abel.

Ze heetten vrienden. Sommigen beweerden dat het broers waren. Ze waren vastbesloten een reis om de wereld te maken. Om iets van de wereld te zien.

De oudste reed de oude lelijke eend. En de jongste dutte wat achterin.

Vlak buiten Antwerpen stond een meisje te liften langs de kant van de weg. De oudste stopte en liet haar instappen.

‘Waar wil je heen?’ vroeg hij.

‘Naar het zuiden’, antwoordde zij.

‘En jullie, waar gaan jullie heen?’

‘Wij gaan om de wereld’,  zei de jongste, net wakker geworden. ‘Ga je met ons mee?

Kom bij me zitten, achterin. Dan maken we het gezellig.’

En Abel ontkurkte een fles wijn.

De oudste broer keek met een scheef gezicht in zijn spiegeltje. ‘Op jouw gezondheid’, zei de jongste tegen het meisje, ‘en op die van jou natuurlijk, broer.’

‘Kun je mij ook niet wat geven?’ zei Kaïn.

‘Nee, nee’, zei Abel, ‘jij moet nog rijden.’ En hij kuste het meisje.

Het meisje kwam vlak naast hem zitten.

‘Gezellig zo met zijn tweeën, zo hobbelend op de bank’, zei ze.

Abel legde zijn arm om haar schouders.

Maar Kaïn werd jaloers.

‘Verroest’, dacht hij, ‘ik ben toch voor haar gestopt, ik heb haar toch binnengelaten …’

En hoe gezelliger zijn broer het achterin had, des te nijdiger werd Kaïn.

Plotseling kon hij het niet langer aanzien. Hij stopte zijn eend langs de kant van de weg, opende het portier en zei tegen Abel: ‘D’r uit jij.’

‘Maar we zouden toch samen de wereld rond’, probeerde deze nog.

Maar Kaïn riep nu nog harder: ‘D’r uit jij, zeg ik je …’ en hij schopte zijn broer de berm in.

Toen stapte hij weer in en reed verder, alleen met het meisje.

‘Wie was dat?’, vroeg ze.

‘M’n broer’, zei hij.

‘Je broer …?’, zei zij, en haar stem klonk wat bang en vertwijfeld. ‘Laat je je broer zomaar alleen achter?’

‘Ja, ik ben zijn vader toch niet’, verdedigde hij zich kortaf … en hij vervolgde: ‘Laten we het vergeten. Schenk me wat in. Kom naast me zitten.’

Het meisje was een ogenblik stil.

Toen zei ze: ‘Stop, laat me eruit; zo wil ik niet langer met je verder.’

En Kaïn stopte voor de derde keer, liet het meisje uitstappen en ging alleen verder.

Als je ooit iemand in een lelijke eend ziet rijden, alleen … dan is het misschien Kaïn, op zoek naar zijn jongere broer.

Sinds hij hem eruit heeft geschopt, rijdt hij met een onrustig geweten de wereld rond.

Maar hij kan zijn jongere broer niet meer vinden.

Peter Vermaat

Naar de hemel

In een joods dorpje in Polen woonde eens een bijzondere rabbi. Hij was een goede leraar en bovendien erg vriendelijk en wijs. De mensen van het dorp hielden veel van hem. Sommigen zeiden: ‘Elke morgen, voor het gebed, stijgt onze rabbi op naar de hemel!’

Hoe kwamen ze hierbij? Op de dagen voor het Joods Nieuwjaar en op de dagen tussen Nieuwjaar en Grote Verzoendag werden heel vroeg in de morgen speciale gebeden gezegd. Het vreemde was dat de rabbi juist op die ochtenden, voordat het tijd was voor het gebed, verdwenen was.

Op een dag kwam er een nieuwe kleermaker in het dorp wonen. Hij kwam uit Litouwen, waar de joden niet zo goedgelovig waren als in het Poolse dorp.

Zijn klanten vertelden hem over hun bijzondere rabbi. Toen de kleermaker hoorde van het vermoeden dat de rabbi opsteeg naar de hemel, begon hij te lachen en zei: ‘Dat kan ik niet geloven. Heb je ’t wel eens gezien?’

‘Nee, niemand heeft het gezien.’

Tegen zijn vrouw zei de kleermaker: ‘Wat zijn de mensen hier toch dom. Naar de hemel! Belachelijk, hoe kunnen ze zoiets bedenken! Weet je wat? Morgenvroeg ga ik kijken wat de rabbi tijdens het ochtendgebed uitvoert en dan zal ik het de mensen weleens vertellen.’

Het was nog donker toen de kleermaker door de stille straten van het dorp liep. Iedereen sliep nog. Alleen in het huis van de rabbi brandde al een licht. Daar verstopte de kleermaker zich achter een paar struiken. Even later kwam de rabbi naar buiten, maar hij was nauwelijks te herkennen. Hij zag eruit als een houthakker, met een bijl in zijn hand en een lege zak over zijn rug. Daarmee liep hij naar het bos dichtbij het dorp.

Op een afstand volgde de kleermaker hem, zich steeds verschuilend achter bomen en struiken. Bij het licht van de maan zag hij dat de rabbi bij een kleine boom bleef staan. Met zijn bijl hakte hij het boompje om en maakte kleine stukken brandhout van de boomstam en de takken. Met een zak vol hout op zijn rug liep hij terug naar het dorp. Daar ging hij een steeg in.

De kleermaker sloop hem achterna, maar toen hij bij de steeg kwam, zag hij de rabbi niet meer. Het was helemaal donker, totdat in een oud vervallen huisje een lichtje werd aangestoken. Zou de rabbi daar binnen zijn gegaan? De kleermaker liep ernaartoe en gluurde voorzichtig door het raam. In het armoedige kamertje stond een bed waarop een oude vrouw lag, die er ziek en zwak uitzag. De rabbi lag op zijn knieën voor de kachel. Terwijl hij hout in de kachel deed sprak hij het eerste deel van de voorgeschreven gebeden uit. Bij het aansteken van het hout zei hij het tweede deel van de gebeden. En terwijl het vuur opvlamde zong hij het derde deel.

Ontroerd keek de kleermaker toe en fluisterend sprak hij met de rabbi de gebeden uit. Daarna draaide hij zich om en liep beschaamd de donkere steeg uit, terug naar zijn eigen huis, waar zijn vrouw op hem zat te wachten.

‘En?’, vroeg ze nieuwsgierig. ‘Wat heb je gezien? Is het waar dat de rabbi voor het gebed opstijgt naar de hemel?’

‘Ja’, zei de kleermaker zacht, ‘hij is heel dicht bij de hemel.’

Bekijk ook

Gerelateerde ideeën