Hoe verhoudt de kerkelijk werker zich tot de kerkenraad en predikant?

Welke positie neemt de kerkelijk werker in in de praktijk van de gemeente; toegespitst op de relatie met de kerkenraad en de predikant? Welke tendensen zijn er als het gaat om de plaats van de kerkelijk werker in de Protestantse Kerk?

Heer, onze God,
Wij danken U, dat U (naam) geroepen hebt
tot het ambt van ouderling-kerkelijk werker.
Wij vragen U eerbiedig:
Zend nu uw heilige Geest op (naam)
Maak hem/haar ouderling in deze gemeente
om in liefde om te zien naar de mensen,
en uw gemeente op te bouwen.

Dit zijn woorden die onder handoplegging gebeden kunnen worden bij de bevestiging van een kerkelijk werker tot – in dit geval – ouderling in het midden van de gemeente van Christus. In het Dienstboek (2004) staan deze teksten nog niet. Aan het begin van deze eeuw werd je als kerkelijk werker ‘ingeleid in een bediening’. Overigens is dat nog steeds een mogelijkheid, al is de hoofdregel bevestiging in het ambt van diaken of ouderling geworden.

Deze liturgische tekst drukt zo iets uit van de veranderde positie van de kerkelijk werker in de gemeente en in de kerkorde; de uitkomst van een jarenlang proces van synodale bezinning en besluitvorming.

Een stukje geschiedenis

Wat zijn daarin de belangrijkste tendensen geweest? In 2005 boog de synode zich over het rapport Om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon. Daarin werd het onderscheiden belang van kerkelijk werkers en predikanten benadrukt. Het gaat om twee afzonderlijke en volwaardige beroepsgroepen die binnen de kerk een eigen plaats innemen. Het rapport De hand aan de ploeg (2009) had twee spitsen. Aan de ene kant werd het anders-zijn van de HBO-theoloog onderstreept. Naast de predikant als exegetisch theoloog is er in de kerk behoefte aan agogisch geschoolde theologen. Het ligt daarom niet voor de hand dat laatstgenoemden over een preekconsent beschikken. Tegelijkertijd werd in het licht van de verwachte toename van het aantal kleine gemeenten zonder dominee voorzien dat kerkelijk werkers zouden kunnen worden toegelaten tot het ambt van predikant.

In 2011 stond de generale synode stil bij De positie van de HBO-theoloog. In dat rapport werden andere accenten gelegd. Niet de veronderstelde problematiek van de kleine gemeenten stond centraal, met daarachter de mogelijke gedachte ‘als we geen dominee meer kunnen betalen dan maar een kerkelijk werker’, maar veel meer de eigenheid en de zelfstandige plaats van de kerkelijk werker binnen de Protestantse Kerk. Hoe kan de kerkelijk werker met zijn/haar eigen expertise een duidelijker plek innemen? In hoeverre is daarvoor een ambtelijke verankering noodzakelijk en/of gewenst?

In de huidige kerkordelijke regelingen is het resultaat van deze jarenlange bezinning te vinden.

Wie kan als bevoegd kerkelijk werker aan het werk binnen de kerk? Alleen wie de juiste (HBO)opleiding heeft, belijdend lid is van de kerk en in het kerkelijk register staat. Kerkelijk werkers die minimaal 12 uur (33%) werkzaam zijn voor een periode van minimaal 1 jaar, worden in de regel bevestigd tot ouderling of diaken met een bepaalde taak in de gemeente. Zij nemen ook deel aan de permanente educatie en participeren tevens in de werkgemeenschap van predikanten en kerkelijk werkers. De kerkenraad kan de classicale vergadering verzoeken om preekconsent ten behoeve van de kerkelijk werker. In bijzondere situaties bestaat de mogelijkheid dat de kerkelijk werker de bevoegdheid tot sacramentsbediening wordt verleend.

In (heel) korte trekken zijn daarmee de contouren geschetst van de positie van de kerkelijk werker in de Protestantse Kerk. Mijns inziens is die positie de afgelopen jaren echt versterkt. De HBO-theoloog heeft een eigen profiel, een eigen expertise die in de kerk in toenemende mate wordt erkend en gewaardeerd.

De praktijk

Wat betekent dit alles nu voor de praktijk van iemand die als kerkelijk werker in een gemeente werkzaam is? Ik noem hier enkele in het oog springende punten die vanuit de contacten met kerkelijk werkers in het kader van hun loopbaan aan de orde kwamen. Het gaat om reële, maar samengestelde situatieschetsen.

Dubbele verhouding

Johan werkt geruime tijd als kerkelijk werker in een gemeente naast een predikant. Hij heeft een bijna-volledige aanstelling voor onbepaalde tijd. Zijn hoofdtaken betreffen pastoraat, catechese en het ondersteunen van de bezinning in het jeugdwerk over het beleid. Hij is sinds enkele jaren ouderling-kerkelijk werker.

Met de predikant heeft Johan een prettige collegiale verhouding. Zij hebben frequent werkoverleg, waarin ook ruimte is voor gebed. Samen gaan ze naar de werkgemeenschap in hun regio.

Binnen de kerkenraad wordt goed gezien dat de kerkelijk werker en de dominee elkaar in competenties aanvullen. Johan is aanwezig op de kerkenraadsvergaderingen en maakt zo dus deel uit van de leiding van de gemeente. In het ambt van ouderling is zijn betrokkenheid bij het wel en wee van de gemeente toegenomen, hij zit echt aan de kerkenraadstafel en dat vindt hij een hele vooruitgang. Maar soms is het ook wel wat ingewikkeld. Hij heeft als ouderling-kerkelijk werker namelijk net een andere plek dan de andere ouderlingen. Hij is immers in dienst van de gemeente. Dat betaalde dienstverband onderscheidt hem zowel van de ouderlingen en diakenen, die hun ambt als vrijwilliger uitoefenen, als van de predikant die voor onbepaalde tijd is aangesteld. Er is sprake van een dubbele verhouding: wat zijn arbeidsvoorwaarden betreft is Johan werknemer; hij heeft jaarlijks een functioneringsgesprek en het college van kerkrentmeesters vervult de werkgeversrol. Maar hij is ook voluit ambtsdrager.

Preekconsent

Mirjam is sinds enkele jaren ouderenpastor. Zij heeft pastorale contacten in een gemeente waar veel oudere gemeenteleden wonen. Dat betekent veel bezoeken afleggen, maar ook ontmoetingen in groepen. Er is een bijbelkring, een gespreksgroep voor senioren en een kring rondom rouwpastoraat. Veel oudere gemeenteleden noemen haar ‘dominee’. Bij het overlijden van oudere gemeenteleden wordt vaak een beroep gedaan op Mirjam als voorganger. Dat laatste was een van de redenen waarom de kerkenraad het essentieel vond dat Mirjam ook een preekconsent zou krijgen. Er werd een aanvraag gedaan bij de classicale vergadering en die reageerde positief. Mirjam volgde een aanvullende module homiletische bekwaamheid en de kleine synode verleende haar preekconsent.

Vanaf 2013 zijn de bepalingen rond het verkrijgen van een preekconsent verruimd. Voor die tijd werd een preekconsent alleen verleend aan kerkelijk werkers die een dienstverband hadden met een gemeente, die de preekvoorziening niet rond kreeg. Nu wordt ook afgewogen of er een pastorale noodzaak is om aan de kerkelijk werker een consent te verlenen. Het betekent in de praktijk dat steeds meer kerkelijk werkers mogen voorgaan in de eredienst.

Daar zitten wel enkele beperkingen aan vast. Het preekconsent wordt verleend voor een bepaalde tijd; de eerste keer twee jaar en daarna steeds voor vier jaar. Een ander punt betreft het gebied. Mirjam heeft een preekconsent voor haar eigen classis maar er zijn ook collega’s waar het consent plaatsgebonden is. Dat ervaart Mirjam als een weeffout in de regeling. Is het echt nodig dat elke vier jaar het preekconsent moet worden vernieuwd? ‘Ik kan het aan onze buurgemeente, die net onder een andere classis valt, niet uitleggen dat ik bij hen niet mag voorgaan.’ Bovendien komt het preekconsent te vervallen als zij in een andere gemeente kerkelijk werker wil worden.

Begeleiding

Hoe is het met de begeleiding gesteld? Een kerkelijk werker die in een gemeente aan het werk gaat in een dienstverband van substantiële omvang krijgt een mentor. Gedurende het eerste jaar van zijn/haar werk ontvangt de kerkelijk werker van die mentor persoonlijke coaching. Daarnaast wordt er in de gemeente vaak iemand gevraagd de kerkelijk werker wegwijs te maken in zijn nieuwe werkomgeving. Na het jaar mentoraat is er de primaire nascholing op het Nieuwe Hydepark. De kerk heeft ook een uitgebreid aanbod voor voortgezette nascholing. Sinds kort heeft in het zogenaamde ‘aangestuurde deel’ daarvan coaching, supervisie en begeleide intervisie een plaats. Dat biedt mogelijkheden aan de kerkelijk werkers om zich te blijven ontwikkelen en te zoeken naar passende vormen van begeleiding. Binnen de Dienstenorganisatie van onze kerk is er regelmatig overleg met CNV-Kerk en Ideëel over de positie van de kerkelijk werkers. Hoe kan daarin worden samengewerkt en kunnen knelpunten worden weggenomen?

Wanneer een kerkelijk werker?

In mijn werk ben ik betrokken bij gemeenten die een predikantsvacature hebben, een kerkelijk werker zoeken en/of zich willen bezinnen op de toekomst. Ik merk dat in die bezinning de kerkelijk werker meer in beeld komt. Dat heeft ongetwijfeld te maken met kleiner wordende gemeenten en teruglopende inkomsten. Waar de predikantsformatie niet kan worden gehandhaafd, komen kerkelijk werkers in beeld. Maar dat is zeker niet het hele verhaal. Meer en meer stellen kerkenraden zich de vraag wat er nodig is in de fase waarin de gemeente zich nu bevindt. Ik denk bijvoorbeeld aan een gemeente die ervoor koos om iets terug te gaan in predikantsformatie om daarnaast in deeltijd een jeugdwerker aan te stellen.

De ontwikkeling die er te zien is in het synodale beraad over de kerkelijk werkers, is mijns inziens ook waarneembaar op het grondvlak van de gemeente. Dat wil zeggen: minder accent op de kerkelijk werker als vervanger van de dominee en veel meer oog voor de eigen positie en kwaliteiten van de kerkelijk werker. Een positieve ontwikkeling die recht doet aan de variatie aan aandachtsgebieden in de gemeente (en daarbuiten!) en aan de veelzijdigheid van de HBO-theoloog.

Kerk 2025

De Protestantse Kerk is bezig met het vernieuwingsproces Kerk 2025. Centraal staat het verlangen terug te gaan naar de kern van het kerk-zijn in een lichtere organisatiestructuur. Naast ‘gewone’ gemeenten zoals we die kennen, zullen er andere vormen ontstaan zoals pioniersplekken en huisgemeenten – en die ontwikkeling is al gaande. Het betekent ook dat er binnen de elf te vormen regio’s meer zal moeten worden geïnvesteerd in samenwerking, en dat betreft niet alleen de gemeenten. Ook de verschillende beroepsgroepen in de kerk – ik kan het niet anders zien – zullen elkaar meer en meer herkennen in de ‘verscheidenheid van gaven’ (1 Kor. 12) die ze hebben ontvangen, met het oog op de dienst aan de ene Heer.

Dit artikel verscheen eerder in het Ouderlingenblad dat is een maandblad voor pastoraat en gemeenteopbouw. De auteur ds G. van Meijeren. Hij is predikant in algemene dienst van de Protestantse Kerk. Hij is voor het beroepingswerk en als adviseur Mobiliteit verbonden aan het Team Mobiliteit van de dienstenorganisatie.

Overweegt uw gemeente een kerkelijk werker aan te nemen? Lees hier meer over het aannemen van kerkelijk werkers

Terug naar overzicht