‘De gemeente moet kunnen zingen’

Al meer dan 45 jaar is organist Ger Blok de steun en toeverlaat van ‘zijn’ kerk. Hij speelt er niet alleen op het klavier maar voert als dirigent ook het koor aan. “Hoe ik het volhoud? Ik doe het met plezier!”

De functie van organist is onmisbaar in de Protestantse Kerk: in vrijwel alle gemeenten wordt de gemeentezang door een kerkorgel begeleid. Zo ook in het Brabantse Oudenbosch. Toen Ger Blok (73) en zijn vrouw hier ruim 45 jaar geleden vanuit Rotterdam kwamen wonen, vroeg de enige organist van de hervormde kerk al snel of hij kon inspringen. “Ik was al enige jaren tweede organist geweest van de Oude Kerk in Charlois en vond het fijn hier weer te kunnen spelen.”

In de rubriek 'Steunpilaar' in het magazine Petrus wordt steeds iemand achter de schermen geportretteerd. De vrijwilliger die in duizend-en-een commissies zit bijvoorbeeld, de organist die wekelijks de sterren van de hemel speelt, de koster die het gebouw op z’n duimpje kent. Kent u ook zo iemand? Mail naar petrus@protestantsekerk.nl.

 

Ger bereidt zich altijd goed voor. “Ik speel natuurlijk de melodie, maar ik kijk ook naar de teksten die we gaan zingen. Soms is het eerste couplet bijvoorbeeld een lofzang, maar het volgende couplet heel anders, helemaal niet juichend. Daar doe ik wat mee in de begeleiding - in de registraties of in het tempo. Ik vind het heel belangrijk dat de gemeenteleden dit kunnen merken. Ik kan het ze moeilijk vertellen, want ik zit boven achter het orgel. Via een spiegel kan ik de kansel en de tafel zien, en daar houdt het mee op. Ik speel ook in Oud-Gastel, waar de situatie anders is. Als ik daar bijvoorbeeld merk dat een lied wat ontspoort, stop ik ermee, draai me om naar de gemeente en roep: ‘Dat gaat niet goed, zal ik het nog eens voorspelen?’”

Prachtig maar prijzig

Het orgel neemt een grote plaats in Gers leven in. Momenteel niet letterlijk overigens: vanwege een recente verhuizing naar een kleinere woning is de piano die het vorige huis sierde - een familiestuk - naar zijn dochter gegaan en beschikt hij alleen nog over een keyboard. Ger is op zoek naar een orgel voor in het nieuwe huis. Maar dat luistert nauw. “Je hebt tegenwoordig het Hauptwerk-orgel, een computerorgel met zogenaamde samples, geluiden die men met kerkorgels opneemt. Zo’n orgel benadert het pijporgel. Prachtig, maar heel prijzig. Een enkele keer staat er een mooie aanbieding op Marktplaats. Dat kan een goede optie zijn, maar er kan ook wat aan mankeren … Misschien kies ik wel voor een elektronisch orgel.”

In zijn ouderlijk huis stond een harmonium, zoals bij veel gezinnen in die tijd. “Mijn vader speelde er graag op maar deed dat uit z’n hoofd. Ik mocht naar de muziekschool.” Daar werden hem de beginselen van de muziek bijgebracht. Pas in het derde jaar moest hij voor een instrument kiezen. “Dat was voor mij niet moeilijk.” Het harmonium van het gezin was maar eenvoudig. Daarom kreeg Ger les bij een leraar thuis, de organist van de Wilhelminakerk in Rotterdam Feyenoord, Frits Willebrands. “Er is een periode geweest dat ik voetballen leuker vond, maar m’n ouders hoefden me niet achter de broek te zitten om te oefenen.”

Uitkomst

Na de middelbare school was het Gers wens om schoolmuziek te studeren. “Maar zes jaar studeren aan het conservatorium was een te grote financiële belasting voor mijn ouders. Ik was inmiddels te laat met inschrijven voor de kweekschool, dus ben ik maar een baantje gaan zoeken.” Bij de grote drukkerij waar Ger toen terechtkwam, had hij het zo naar zijn zin dat hij na een jaar niet alsnog voor de kweekschool koos. Via een omweg kwam hij later toch in het onderwijs terecht. Hij schoolde zich bij tot docent informatica en economie en gaf les op het Mercatus College in Rotterdam. Vanwege zijn orgelervaring mocht hij daar later ook muzieklessen geven.

In zijn militaire diensttijd bood het orgel soms ook uitkomst. “Ik kon me aan allerlei dingen onttrekken. Eens per maand was er een speciale dienst voor alle militairen. Mij werd gevraagd of ik orgel wilde spelen. Dat wilde ik, maar ik moest me natuurlijk voorbereiden. Vanwege alle kerstvieringen bracht ik een keer met Kerst drie dagen door in de kerk in plaats van in de kazerne.”

Van ons samen

Is de functie van organist niet wat eenzaam? “Nu onze gemeente een combinatie vormt met Oud-Gastel en Kruisland, ben ik niet meer de enige organist, dat scheelt. En ik overleg natuurlijk met de predikanten. Zij vragen vaak of een bepaald lied wel goed te zingen is, en of ik een passend lied weet. Soms stel ik zelf een ander lied voor dan opgegeven. Dat geeft het gevoel dat de gemeentezang iets van ons samen is.” 

Met Kerst, Pasen en Pinksteren zingt het koor waarvan Ger de dirigent is. “Het is een gemengd koor van ongeveer 25 leden. En ja, zoals bij veel koren zijn de meeste leden niet zo jong meer. Maar we zingen met plezier, ook tijdens de wekelijkse koorrepetities.”

Met de komst van het Liedboek, zingen en bidden in huis en kerk zijn er veel nieuwe liederen bij gekomen. Liederen uit andere stromingen, maar ook uit andere landen met een heel andere muziekcultuur. Ger: “Ik moet daar wel induiken voordat ik het kan spelen. Maar dat vind ik een verrijking.” Een onbekend lied is voor hem geen reden om het niet te zingen. “Ik kan een nieuw lied één of twee keer voorspelen, dan zingt de gemeente het ook.” 

Twee keer bidden

En dat is waar Ger warm voor loopt: de begeleiding van de gemeente, waardoor de mensen goed en met plezier zingen. “Ik ben geen concertorganist, vraag me niet om allerlei moeilijke stukken te gaan spelen. Maar de gemeente moet kunnen zingen. Het geeft me plezier om dat mogelijk te maken. Ik hoor gelukkig regelmatig na de dienst dat we weer fijn hebben gezongen vandaag. 

Ik zing zelf ook graag. Niet luidkeels achter het orgel, maar wel als gemeentelid in de kerk of als ik voor het koor moet voorzingen. Zingen is voor mij twee keer bidden. Het geloof is mijn basis. In mijn orgelspel komt alles samen.”

Tekst: Janet van Dijk | Foto: Ton Stanowicki

Een gratis abonnement op Petrus aanvragen? Ga dan naar www.petrusmagazine.nl.

Terug naar overzicht