Kerkelijk werker: ambt en bediening

De aanstelling tot kerkelijk werker is voorbehouden aan kerkelijk medewerkers die de HBO opleiding Godsdienst Pastoraal Werk (GPW) hebben behaald aan een erkende instelling.

Daarnaast is het ook van belang dat kerkelijk werkers belijdend lid zijn van de Protestantse Kerk in Nederland en zijn ingeschreven in het kerkelijk register van de Protestantse Kerk. 

De hoofdregel is dat de kerkelijk werker wordt bevestigd in het ambt van ouderling of diaken met bepaalde opdracht voor de duur van de aanstelling, indien hij/zij:

  • Werkzaam is op de taakvelden pastoraat, gemeenteopbouw, geestelijke vorming, missionair of diaconaal werk;
  • Een aanstelling heeft van minimaal 12 uur per week gedurende minimaal 1 jaar. 

De bevestiging in het ambt is in ord. 3-6-11 geregeld. Vanuit de Werkgroep Eredienst is, met medewerking van de Vereniging Kerkelijk Werkers, gewerkt aan de orden van dienst voor de bevestiging van de ouderling-kerkelijk werker en de diaken-kerkelijk werker. Er zijn twee versies gemaakt, parallel aan de orden van dienst in het Dienstboek van de Protestantse Kerk deel II. Het zijn nog ontwerpteksten, vrijgegeven voor beproeving in de praktijk. Te zijner tijd komen ze als bijlage in het Dienstboek.

Deze kerkelijk werkers maken daarmee deel uit van de leiding van de plaatselijke gemeente. Tevens vallen zij onder de regeling permanente educatie.

Ambtsdrager?

Er kunnen zwaarwegende redenen zijn om te besluiten de kerkelijk werker niet tot ouderling of diaken te verkiezen. Zo’n zwaarwegende reden kan zijn:

  • dat betrokkene meent op grond van bezwaren tegen de vrouw in het ambt zelf het ambt niet te kunnen aanvaarden;
  • dat de gemeente die overtuiging is toegedaan;

In die gevallen wordt de kerkelijk werker in de bediening gesteld.

Bij een aanstelling van zeer beperkte omvang zou het deel uitmaken van de kerkenraad een onevenredig deel van de werktijd uitmaken. Om die reden wordt de kerkelijk werker die voldoet aan bovengenoemde onder a. en b., maar een aanstelling heeft van minder dan 12 uur of een aanstelling voor 1 jaar of minder in de bediening gesteld.

In afwijking van andere ambtsdragers wordt de kerkelijk werker bevestigd als ambtsdrager voor de duur van de aanstelling.

Kerkelijk werkers die aan de gestelde eisen voldoen en die 1 januari 2013 als zodanig werkzaam zijn, al dan niet in de bediening zijn gesteld, kunnen vanaf die datum bevestigd worden als ambtsdrager.

De kerkorde kent de mogelijkheid van ambtsdragers die elders wonen (ord. 3-6-1). Is dit aan de orde dan is betrokkene in de kerkenraad volwaardig stemhebbend lid. 
Met betrekking tot het samengaan van werknemerschap en ambt wordt binnen de kerkenraad op gelijke voet samengewerkt. De kerkenraad is in zoverre opdrachtgever dat hij vóór de benoeming vaststelt wat de taak is die aan de kerkelijk werker wordt toevertrouwd. Voor het overige wordt de werkgeversrol vervuld door het college van kerkrentmeesters resp. het college van diakenen.

Een kerkelijk werker kan niet worden bevestigd als ouderling-kerkrentmeester en dus geen lid zijn van het college van kerkrentmeesters. Wie bevestigd is als diaken in een gemeente die niet in wijkgemeenten is ingedeeld, is wel lid van het college van diakenen.

Het is uiteraard niet de bedoeling dat de kerkelijk werker binnen de kerkenraad of het college van diakenen meebeslist over de eigen rechtspositie.

Bij benoeming en verkiezing gaat het om één besluit. Het gaat wel om verschillende zaken: de benoeming (en vervolgens aanstelling) heeft betrekking op de arbeidsrechtelijke kant, de verkiezing op de ambtelijke kant.

Een kerkelijk werker kan in meer dan één gemeente werkzaam zijn en dan ook in meer dan één gemeente een ambt bekleden of in de bediening staan.

De ouderling- of diaken-kerkelijk werker kan afgevaardigd worden naar meerdere vergaderingen.

Betrokkenen zijn voluit ouderling resp. diaken. De ambtsdrager-kerkelijk werker en de kerkelijk werker in de bediening hebben beiden een zelfde verantwoordelijkheid voor het werk dat hen is toevertrouwd. Alleen de rol in en tegenover de kerkenraad verschilt.